My mom’s pea soup

I always thought that ‘erwtensoep’ is very Dutch. However, according to Wikipedia it is common other northern European countries (and even Canada) as well. However, this recipe from my mom is how pea soup should taste like, if you ask me. The home-made stock gives a rich taste. It does take some time to cook and you need to be present to stir. On the other hand, you can make a lot in one go and then store it in the freezer. I’ll start with a short summary of the recipe and then give a longer description with photos.

Ingredients

  • Pork leg bones, with meat attached 500 gram — ask the butcher to chop in two so that the marrow can come out.
  • Water 1.5 L
  • Bay leaf 3x
  • Green split peas 500 g (they are dried beans but they don’t need to be soaked before use).
  • Leeks 500 g
  • Onions 500 g
  • Carrots 300 g
  • Celeriac 1x
  • Celeriac leaves 1 bushel (100 grams)
  • Smoked sausage 750 g
  • Pepper en salt
We use the middle part of the pork leg, both the bone and the meat. Image from: http://buttonsoup.ca

The recipe in short

  • Make the stock, cook it for a few (three) hours.
  • Sieve the stock, add cold water to make 2 liter.
  • Cook the split peas for 1 to 1.5 hours.
  • Add the vegetables, sausage and remains of the meat and cook for about two hours.
  • Remove the lid during the last hour to evaporate the water.
  • Be careful not to burn the food.
Dinner time!

The long version

This weekend I made a double amount of pea soup, see the photo below. I made all stock in one go and then made two pans of soup. I then freeze it.

Ingredients for 2 pans of soup.

The exact amounts are not very critical. After adding the vegetables and sausage the volume is 6 to 6.5 liters (the pan on the photo is 6.8 liter). This time the amount of vegetables was on the low side. I used 4 smoked sausages (1 kg) per pan. It is a bit much, but I don’t think people will complain :) In the end you are left with 4.5 to 5 liters of soup. People eat 500 to 750 mL per person, a bit less if you serve it with bread with cheese.

The times in the recipe are also not very critical. It is better to take more time than to take less. Cutting the vegetables takes about an hour. Making the stock takes 3 to 4 hour, making the soup also takes 3 to 4 hour.

The only crucial thing in the recipe is to stir often. The problem is that the soup doesn’t circulate in the pan, which may cause it to burn on the bottom. Use a good pan that heats uniformly and use a heat diffuser, on the smallest burner. Alternative you can, after everything has been added, put the pan in the oven (about 180 degrees Celsius). This heats more evenly. The soup dries up a bit on the sides of the pan, but it doesn’t burn. You can stir every half hour or so. If some of the soup has burned, don’t scrap it loose — it is disgusting.

The recipe

Make the stock. Put the pork leg bones in 1.5 liter water and add the bay leafs. Cook with the lid on for a few hours. The longer the better. I usually cook it for three hours. After the first two hours I usually use forks to remove the meat from the bone. I also wiggle the marrow in the bones loose. I then simmer it for another hour or so, at a slightly higher temperature to get some movement in the pan.

In the beginning we create the stock.

Sieve the stock. Save the meat/bones for later. Measure/estimate how much stock you have (it will be about 1 liter). You can put the stock and meat in the fridge and make the soup the day after.

Add the stock in a pan and add water to make 2 liters. Rinse the peas and put them in the stock. Add pepper and some salt. Bring to a boil, then simmer them for an hour or so. Stir every 15 minutes or so.

Peas boiling. The sausage are warming up in the background.

Sort the meat. Discard the bones and tendons. Cut the meat in small pieces. I do use the gelatine-like piece. Add this to simmering peas.

Cut vegetables for two pans of soup. The containers with carrots on top are for the second pan of soup.

Cut the vegetables. I usually cut them in pieces of 1 cm / 1 cm2 / 1 cm3 or something, but it is not very critical. Warm up the sausages and cut them in pieces.

Soup with vegetables…

After an hour the peas are falling apart. Add the vegetables and sausage to the pan. It now has to start boiling again. If you do this on high heat you’ll need to stir constantly. You can also use the small burner on high heat and stir every now and then. Once it cooks let it simmer, or put it in the oven.

…and with sausage.

Simmer the soup for one hour with the lid on. Stir it every 10 minutes (every 5 minutes is a bit often, but every 15 minutes is not often enough). After an hour I remove the lid and let it simmer for another hour. Some water evaporates, making the soup thicker. It is ready when a fork doesn’t fall over. You’ll see that the celeriac have fallen apart.

Done! You see there is not much of the celeriac left.

Pea soup tastes better over time. You can make it the day before, or freeze it and eat it later. It is usually served with (dark/dense) bread and cheese.

Mijn moeder’s erwtensoep

Voor mij is dit hoe erwtensoep hoort te smaken. Door de zelfgemaakte bouillon is de smaak heel rijk. Het kost wel wat tijd om te maken en je moet er ook echt bij blijven om regelmatig te roeren. Aan de andere kant, je kan in één keer heel veel maken en het daarna invriezen. Ik geef eerst het recept in het kort, daarna een uitgebreide versie met foto’s.

Ingrediënten

  • Hamschijf 500 gram — door de slager doormidden gehakt zodat het merg eruit kan komen.
  • Water 1.5 L
  • Laurierblaadjes 3x
  • Spliterwten 500 g
  • Prei 500 g
  • Uien 500 g
  • Winterwortel 300 g
  • Selderijknol 1x
  • Selderijblad 1 bosje
  • Rookworst 750 g
  • Peper en zout

Het recept in het kort

  • Maak de bouillon, kook het een paar (3) uur.
  • Zeef de bouillon. Vul aan tot 2 uur liter.
  • Kook de erwten, ca 1 tot 1.5 uur.
  • Voeg de groenten, worst en vleesresten toe en kook het ca 2 uur.
  • Laat het laatste uur de deksel eraf om vocht te laten verdampen en het wat steviger te maken.
  • Pas op voor aanbranden!
Etenstijd!

Uitgebreid

Dit weekend heb ik een dubbele hoeveelheid erwtensoep gemaakt, zoals je op de foto’s ziet. Ik maak de bouillon in één keer en maak daarna twee pannen soep. Ik vries de soep daarna in.

Ingrediënten voor 2 pannen soep.

De hoeveelheden luisteren niet heel nauw. Nadat de groente en worst is toegevoegd is het volume 6 tot 6.5 liter (de pan op de foto’s is 6.8 liter). De hoeveelheid groenten was deze keer aan de kleine kant. Ik gebruik hier 4 rookworsten (1 kg). Dat is vrij riant, maar ik denk dat niemand erover zal klagen :) Uiteindelijk hou je 4.5 tot 5 liter soep over. Reken op 500 tot 750 mL soep per persoon. Iets minder als je er brood met kaas bij serveert.

De tijden in het recept luisteren ook niet heel nauw. Neem liever meer tijd dan minder. Het snijden van de groente kost ongeveer een uur. De bouillon kost 3 tot 4 uur, de soep ook zoiets.

Het enige cruciale in het recept is dat je veel moet roeren. Het grote probleem met erwtensoep is aanbranden, omdat de soep niet circuleert door de pan. Je kan het proberen te voorkomen door een goede pan te gebruiken die gelijkmatig verhit en door een vlamverdeler te gebruiken, op de kleinste pit. Je kan de pan, nadat je de groenten en worst hebt toegevoegd, ook in de oven zetten (ca 180 graden). Dat verhit veel gelijkmatiger. Als je het in de oven zet kan je veel minder roeren. Elk half uur of zo. De soep droogt aan de randen wat op, maar verbrand niet. Mocht er toch wat aangebrand zijn, schraap het dan niet los. Het is niet te vreten.

Het recept

Maak de bouillon. Doe de hamschijf in 1.5 liter water en voeg de laurierblaadjes toe. Laat dit met deksel een paar uur koken. Hoe langer hoe beter, ik kook het meestal drie uur of zo. Nadat aan de kook is geraakt laat ik het meestal twee uur zachtjes sudderen. Daarna trek ik met twee vorken het vlees van het bot en peuter ik een beetje in het bot om het merg los te krijgen. Daarna zet ik het vuur iets harder om wat meer beweging in de pan te krijgen.

In den beginne… een doormidden gehakte hamschijf en laurier in het water.

Zeef de bouillon. Bewaar het vlees/bot voor later. Meet hoeveel bouillon je ongeveer hebt. Het zal iets van 1 liter zijn. Je kan de bouillon en het vlees eventueel in de koelkast doen en de soep de volgende dag maken.

Doe de bouillon in een pan en vul aan met koud water tot ongeveer 2 liter. Was de erwten en doe ze in de bouillon en breng aan de kook. Voeg peper en wat zout toe. Zet het daarna op een klein vuur en laat het een uur zachtjes koken. Roer het regelmatig, elke 15 minuten of zo.

Kokende erwten. Op de achtergrond worden de rookworsten verwarmd.

Sorteer het vlees. Gooi stukjes bot en pezen weg. Snij het vlees klein. Ik gebruik de gelatine-achtige restanten gewoon. Doe dit direct in de pan.

Gesneden groenten voor twee pannen soep. De bakjes met wortels op de groenten zijn voor de tweede pan soep.

Snij de groenten. Ik doe meestal stukjes van 1 cm / 1 cm2 / 1 cm3 of zo, maar het luistert niet heel nauw. Verwarm de rookworsten en snij ze in stukjes.

Soep met groenten…

Na een uur zijn de erwten helemaal uit elkaar gevallen en wordt het meer een brei. Doe nu de groenten en worst in de pan. Het moet nu weer aan de kook komen. Als je het op een groot vuur zet dan moet je continu roeren. Ik laat ’em meestal op het kleinste vuur staan en roer regelmatig. Als alles kookt kan de pan weer op het kleine vuur om zachtjes te sudderen (of in de oven).

…en met worst. In dit geval sneed ik de worst nadat ik de groenten had toegevoegd.

Laat het een uur zachtjes sudderen met deksel en roer het elke 10 minuten (elke 5 minuten is wel vaak, elke 15 minuten is veel te lang). Na een uur haal ik de deksel er vanaf en laat ik het nog een uur of zo zachtjes sudderen. De bedoeling is om wat vocht te verliezen en de soep steviger te maken. De soep is klaar als een vork overeind kan staan in de soep. De blokjes selderie zijn door het roeren en koken ook helemaal uit elkaar gevallen.

Het eindresultaat. Er zijn nog amper hele stukjes selderie over.

Erwtensoep wordt lekkerder als ie even gestaan heeft. Je kan het dus een dag van tevoren maken, of invriezen.

Analysis of my bike commute

Last year I purchased a sports watch to keep track of my bike commute. Recently I got the impression that I’m slowing down. I downloaded the data and analyzed it a bit.


Figure 1: my route to work (most of it). I live in the lower right corner.

My commute is about 9.4 km. I selected data that is between 9.2 and 9.6 km. This accounts for small variations, but it excludes when I go into the city and do some shopping. The problem is not so much the different distance, but the speed. I want to keep it safe and won’t rush. Most of my commute is however on a long bicycling path next to a canal, as shown in the image above. I live in the lower right corner and I work in the upper left corner.


Figure 2: average speed over time, separated for going to work and going home. The gap in december 2017/januari 2018 is because of the Christmas holidays. The gap in February is due to syncing issues. 

The figure above shows the average speed for every day. The two colors show my commute to work (blue) and home (orange). The green and red line are a running average over 5 data points. My average speed has indeed dropped a bit. It used to be about 22.5 km/h, now it is about 21.0 km/h. This is still a very nice average speed for a completely human-powered bike.

At least as interesting is the difference between going to work and going home again, with average speeds of 21.3 km/h and 22.2 km/h respectively. The histogram below shows the difference clearly.


Figure 3: Histogram of the average speed going to work (blue) and going home (orange).

I suspect that the rail bridge plays a role. On my way to work, the downhill section has a sharp U-turn and another inconvenient corner, really slowing me down. On my way home the road after the bridge is more or less straight, so I can continue biking at high speed.


Figure 4: the bridge over the canal.

An obvious suspect is the wind. For individual bike rides this is obviously a factor. For example on March 2nd I had a 31 km/h south-east head wind when I went home, resulting in an average speed of 15.8 km/h. In November the wind was more north-westerly, resulting in a higher average speed going home. The predominant wind direction in the Netherlands is however from the south-west and my route is perpendicular to that.

What can be the reason for the recent slowdown? Part of it is that I am wearing different, longer, gloves that make it impossible to look at my watch. The watch shows different heart rate ranges and I tried to keep an eye on it to maintain a constant heart rate. Because of the gloves I can’t do this anymore.


Figure 5: average heart rate over time, separated for going to work and going home.

In the figure above I plot my average heart rate, and a running average. Aside from the first month or so it is stable between 140 and 150 bpm. Below, I made a plot of the correlation between average speed and average heart rate. For the bulk of the data there is no obvious correlation.

Figure 6: (lack of) correlation between average heart rate and average speed.

Is there an obvious conclusion to this story? Not really, but it was fun to look at the data in more detail.

Van stemmen naar zetels

Met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht komt de aloude vraag weer boven: “hoe wordt het aantal zetels ook alweer berekend?”. Dit is niet simpel afronden en er zijn subtiele verschillen tussen de verschillende soorten verkiezingen en hoeveel zetels er te verdelen zijn.

Voor alle soorten verkiezingen geldt dat het totaal aantal stemmen wordt gedeeld door de hoeveelheid zetels die er te verdelen zijn, dit is de kiesdeler. Vervolgens wordt het aantal stemmen dat elke lijst heeft gehaald gedeeld door de kiesdeler. Dit getal wordt naar beneden afgerond en is het aantal volle zetels dat een lijst krijgt. Omdat er naar beneden wordt afgerond zijn er altijd nog wat zetels over, de restzetels. Er zijn twee systemen om restzetels te verdelen, afhankelijk van het aantal zetels van de raad in kwestie. Bij 19 of meer zetels wordt het systeem van grootste gemiddelden gebruikt, anders het systeem van grootste overschotten.

De twee systemen worden hieronder verder uitgelegd. Uit gewoonte gebruik ik een punt als decimaalteken, niet een komma. 1.999 is dus bijna 2, niet bijna 2000. Ik zal proberen zoveel mogelijk te voorkomen dat hier verwarring over kan ontstaan.

Grootste gemiddelden

Als er 19 of meer zetels te verdelen zijn (zoals in het Europees Parlement, Eerste en Tweede Kamer, Provinciale Staten en de meeste Gemeenteraden) dan worden restzetels verdeeld met het systeem van grootste gemiddelden. Na het verdelen van de volle zetels (z) heeft elke partij een aantal stemmen per zetel (S/Z). Dan wordt voor elke partij wordt uitgerekend hoeveel stemmen per zetel ze zouden hebben als 1 extra zetel zouden krijgen (S/(Z+1)). Het aantal toegekende zetels plus de extra zetel is het aantal virtuele zetels. De partij met het hoogste gemiddelde krijgt de extra zetel. Als er meer restzetels te verdelen zijn dan wordt het aantal stemmen per zetel opnieuw uitgerekend, inclusief de eerder toegewezen restzetel(s).

Partij Stemmen Zetels s/z s/(z+1) Zetels % stemmen % zetels
A 101 9 11.22 10.1 10 84.2% 90.9%
B 19 1 19.00 9.5 1 15.8% 9.1%

Tabel 1: Rekenvoorbeeld van grootste gemiddelden

Tabel 1 geeft een rekenvoorbeeld. Partij A heeft 101 stemmen, partij B 19. Er zijn 11 zetels te verdelen. De kiesdeler is 120/11 = 10.91. Partij A komt in aanmerking voor 9 volle zetels, partij B voor 1 volle zetel. Het aantal stemmen per zetel (S/Z) voor partij B is veel hoger dan voor partij A. Voor de verdeling van de restzetel wordt echter gekeken naar het gemiddelde met een extra zetel, S/(Z+1). Dit is voor partij A hoger dan voor partij B en deze krijgt dan ook de restzetel toegewezen.

partij s z s/z s/(z+1) z s/(z+1) z s/(z+1) z s/(z+1) z s/(z+1) z s/(z+1) z s/(z+1) z s/(z+1) z r %s %z
VVD 2238351 31 72205 69948 32 67829 32 67829 32 67829 32 67829 33 65834 33 65834 33 65834 33 2 21.29 22.0
PvdA-GL 1559299 22 70877 67796 22 67796 22 67796 22 67796 22 67796 22 67796 23 64971 23 64971 23 1 14.83 15.3
PVV 1372941 19 72260 68647 19 68647 20 65378 20 65378 20 65378 20 65378 20 65378 20 65378 20 1 13.06 13.3
SP 955633 13 73510 68260 13 68260 13 68260 13 68260 14 63709 14 63709 14 63709 14 63709 14 1 9.09 9.3
CDA 1301796 18 72322 68516 18 68516 18 68516 19 65090 19 65090 19 65090 19 65090 19 65090 19 1 12.38 12.7
D66 1285819 18 71434 67675 18 67675 18 67675 18 67675 18 67675 18 67675 18 67675 19 64291 19 1 12.23 12.7
CU-SGP 575221 8 71903 63913 8 63913 8 63913 8 63913 8 63913 8 63913 8 63913 8 63913 8 0 5.47 5.3
PvdD 335214 4 83804 67043 4 67043 4 67043 4 67043 4 67043 4 67043 4 67043 4 67043 5 1 3.19 3.3
50+ 327131 4 81783 65426 4 65426 4 65426 4 65426 4 65426 4 65426 4 65426 4 65426 4 0 3.11 2.7
Denk 216147 3 72049 54037 3 54037 3 54037 3 54037 3 54037 3 54037 3 54037 3 54037 3 0 2.06 2.0
FvD 187162 2 93581 62387 2 62387 2 62387 2 62387 2 62387 2 62387 2 62387 2 62387 2 0 1.78 1.3

Tabel 2: De uitslagen van de Tweede Kamerverkiezingen 2017. Er zijn twee lijstverbindingen, tussen PvdA en GroenLinks en tussen ChristenUnie en SGP. De kiesdeler was 70107. Partijen die de kiesdeler niet haalden zijn weggelaten. 

Tabel 2 laat de situatie voor de Tweede Kamerverkiezingen 2017 zien. Het is een grote brij van cijfers omdat er meerdere rondes nodig waren voor het verdelen van restzetels. Aan de rechterzijde is de extra kolom R opgenomen, dit is het aantal restzetels dat een partij heeft gekregen.

Grootste overschotten

Als er minder dan 19 zetels te verdelen zijn (zoals bij sommige gemeenteraden) dan worden restzetels verdeeld door het systeem van grootste overschotten. Dit systeem wordt ook gebruikt voor de verdeling van zetels binnen lijstverbindingen (later meer daarover). Eerst wordt bepaald hoeveel volle zetels elke lijst krijgt. Vervolgens wordt het aantal zetels maal de kiesdeler afgetrokken van het aantal stemmen, dit zijn de overschotten. De partijen met de grootste overschotten krijgen de restzetels. Partijen moeten minimaal 75% van de kiesdeler hebben gehaald om in aanmerking te komen voor zo’n restzetel. Elke partij kan op deze manier 1 zetel toegewezen krijgen. Mochten er meer restzetels te vergeven zijn dan wordt daarvoor het systeem van grootste gemiddelden gebruikt. Dit kan gebeuren als er veel partijen zijn die de net niet genoeg stemmen halen voor een (rest)zetel.

Partij Stemmen Zetels Overschot Volgorde Zetels % stemmen % zetels
A 101 9 2.8 2 9 84.2% 81.8%
B 19 1 8.1 1 2 15.8% 18.2%

Tabel 3: Rekenvoorbeeld van grootste overschotten

Ook hier een voorbeeld. De uitgangssituatie in Tabel 3 is hetzelfde als in Tabel 1, maar nu wordt het grootste overschot gebruikt om de restzetel te verdelen. Deze is duidelijk hoger voor partij B, die nu de restzetel krijgt.

“Grootste gemiddelden” is nadeling voor partijen met weinig zetels

Het is duidelijk dat de twee rekenmethoden leiden tot verschillende resultaten. In de voorbeelden hierboven krijgt partij A 84% van de stemmen. Met “grootste gemiddelden” krijgen zij 91% van de zetels, met “grootste overschotten” 82% van de zetels. Dit is natuurlijk een voorbeeld met slechts 2 partijen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen 2017 verschillen de percentages stemmen en zetels met minder dan 1%. Toch is het systeem van grootste gemiddelden voordelig voor grotere partijen. De 6 grootste lijsten hebben elk een restzetel gekregen (de VVD zelfs 2). Van de 5 kleinste lijsten heeft alleen de PvdD een restzetel gekregen.

De reden is dat gekeken wordt naar wat het aantal stemmen per zetels is als er een extra zetel wordt toegekend. Bij partijen met veel zetels is de relatieve toename van de extra zetel kleiner en daardoor is de daling van het aantal stemmen per zetel ook kleiner. Hieronder probeer ik dit te illusteren. Let’s get technical!

In plaats van over een concreet aantal stemmen (S) te praten gebruik ik het aantal kiesdelers dat een lijst haalt. Je kan het vermenigvuldigen met het aantal stemmen per kiesdeler om tot het aantal stemmen te komen. Omdat het aantal stemmen er toch wat natuurlijker uit ziet heb ik het wel in de figuren gezet, in italic, voor een kiesdeler van 1000.

In Figuur 1 staat de verdeling van het volle aantal zetels. Dit is duidelijk trapsgewijs: zowel een partij met 1x de kiesdeler of 1.9x de kiesdeler haalt slechts 1 zetel.


Figuur 1: De verdeling van volle zetels

In Figuur 2 staat het aantal kiesdelers per volle zetel. Dat getal is altijd gelijk aan of groter dan 1. De zaagtand komt doordat het aantal kiesdelers per volle zetel daalt als er een extra virtuele zetel wordt toegekend. Bij 1.99x de kiesdeler wordt 1 zetel toegekend. Het aantal kiesdelers per zetel is dan 1.99. Bij 2.00x kiesdeler worden 2 zetels toegekend. Daardoor daalt het aantal kiesdelers per zetel weer naar 1.00. Bij 2.99 keer de kiesdeler is het aantal kiesdelers per zetel 1.495 (2.99 kiesdelers/2 zetels). Bij 3.00x kiesdelers daalt het weer naar 1. Bij 9.99x kiesdeler is het aantal kiesdelers per zetel 1.11 (9.99 kiesdelers/9 zetels). Het is duidelijk dat het aantal kiesdelers per volle zetel heel sterk fluctueert voor lijsten met weinig kiesdelers (stemmen) en veel minder voor lijsten met veel kiesdelers.


Figuur 2: Het aantal kiesdelers per volle zetel

Om de restzetels toe te kennen worden er extra zetels toegekend. De echte zetels plus extra zetels heten virtuele zetels. Hiermee wordt het aantal kiesdelers per virtuele zetel uitgerekend. Figuur 3 laat dit zien voor 1, 2, 3 en 4 extra zetels.


Figuur 3: Het aantal kiesdelers per virtuele zetel. De verticale lijnen zijn het aantal kiesdelers die partijen C en D hebben gehaald, in het voorbeeld in de tekst. De grijze horizontale lijn is het aantal kiesdelers per virtuele zetels voor partij C met 1 extra zetel.

De restzetels worden één voor één toegekend. Eerst wordt bij elke partij 1 extra zetel opgeteld en het aantal kiesdelers per virtuele zetels berekend, dit is de blauwe lijn. Laten we als voorbeeld partijen C en D nemen. Partij C heeft 1.3x kiesdeler en heeft dus 2 virtuele zetels (1 echte en 1 extra) en komt op 0.65 kiesdelers/virtuele zetels (dit staat aangegeven met een horizontale grijze lijn in Figuur 3). Partij D met 6.1x de kiesdeler heeft (6+1=) 7 virtuele zetels en heeft heeft 0.87 kiesdelers per virtuele zetel (waar de vertical grijze lijn van D de blauwe lijn kruist). D heeft dus een hoger gemiddelde dan C (het is boven de horizontale grijze lijn) en de eerste restzetel wordt dus aan partij D worden toegekend.

Voor een tweede restzetel wordt voor partij D het aantal kiesdelers per virtuele zetel opnieuw berekend, nu voor (7+1=) 8 virtuele zetels (de oranje lijn). Voor partij C veranderd er niets en kijken we dus nog steeds naar de blauwe lijn. Partij D heeft in dit geval 0.76 kiesdelers per virtuele zetel, weer meer dan partij C. De tweede restzetel wordt dus ook aan partij D toegekend.

Voor een derde restzetel kunnen we deze exercitie herhalen. Partij D heeft met 3 extra zetels 0.68 kiesdelers per virtuele zetel (groene lijn) en de derde restzetel zal dus ook naar partij D gaan. Pas bij een vierde restzetel daalt het aantal kiesdelers per virtuele zetel voor partij D tot 0.61 (rode lijn) en zou de zetel dus aan partij C worden toegekend.

Uit Figuur 3 en het voorbeeld hierboven blijkt wel dat kleine partijen een nadeel hebben bij het verdelen van restzetels. Het is eigenlijk alleen mogelijk als ze bijna een extra zetel hadden gehaald. Hoe meer zetels een partij haalt, hoe minder het gemiddelde daalt als er extra zetels worden toegekend. Figuur 4 laat hetzelfde zien als Figuur 3, maar dan voor een groter aantal kiesdelers.


Figuur 4: Het aantal kiesdelers per virtuele zetel

In Figuren 3 en 4 gaan het over het aantal keer de kiesdeler en daar zit een maximum aan: het aantal zetels. Als er 19 zetels zijn dan kan een partij maximaal 19 keer de kiesdeler aan stemmen halen (als ze alle stemmen halen, in welk geval restzetels geen issue meer zijn). In de Tweede Kamer zijn er maximaal 150 kiesdelers te halen. Partijen kunnen dus 30, 40 of zelfs 50 keer de kiesdeler halen. Gemeenteraden hebben tussen de 9 en 45 zetels, afhankelijk van hoe groot de gemeente is. De sterke fluctuaties zijn de reden dat voor kleinere gemeenteraden (minder dan 19 zetels) een ander systeem wordt gebruikt. Toch zullen ook in grotere gemeenteraden de partijen relatief klein zijn.

Voor de volledigheid het systeem met grootste overschotten. Figuur 5 laat zien hoe de overschotten fluctueren voor het aantal kiesdelers. De toewijzing van restzetels is dus onafhankelijk van het aan kiesdelers dat behaald is.


Figuur 5: Overschot aan kiesdelers

Lijstverbindingen

Met een lijstverbinding konden twee of meer partijen hun lijsten samenvoegen en profiteren van het voordeel van het hebben van meer kiesdelers (stemmen), zoals hierboven besproken. De CU en SGP deden dit vaak, net als de PvdA, GroenLinks en SP (soms met z’n tweeën, soms met z’n drieën). Binnen een lijstverbinding worden de zetels dan verdeeld met een lijstkiesdeler en het systeem van grootste overschotten voor restzetels. Een belangrijke voorwaarde was dat partijen in een lijstverbinding individueel in ieder geval één zetel zouden moeten hebben gehaald. In 2017 zijn lijstverbindingen afgeschaft.

Verschillen tussen verkiezingen

Bij de Tweede Kamer en Europese verkiezingen komen alleen partijen die de kiesdrempel hebben gehaald in aanmerking voor restzetels. Bij verkiezingen voor gemeenteraden met minder dan 19 zetels komen alleen partijen die 75% of meer dan de kiesdeler hebben gehaald in aanmerking voor restzetels.

Why do I have a free day today? Easter edition

In my ongoing effort to explain to people who are not used to continental-European and/or religious holidays, I’m going to explain the Easter holidays. I’m not a Christian so there may be some inaccuracies (unintentional or not) in the story. If you are easily offended, you may want to read something else.

The story starts 2000 or so years ago in Jeruzalem. The Romans had occupied Judea and their policy was clear: if you are with us, we treat you badly, and when you are against us, we kill you. This policy lives on at United Airlines. The prefect of the region at the time was Pontius Pilot who probably had a side-job at that airline.

The people of Judea were not entirely happy. One of the beliefs of Judaism is that at some point a Messiah will come and save peoples souls, or something. People longed for some relief and left and right people showed up saying they were the Messiah. In many cases they were harmless fouls, but some managed to get quite a following. One of the latter category was a carpenter who went by the name of Jesus Christ. Jesus was not so much of a problem while he was making tables and chairs in some stupid village away from the masses, but then he decided to go to Jeruzalem.

The problem of rabble-rousers with a following is that you can’t easily kill them. The Romans would need at least some “evidence” to convict him for something. Luckily (for the Romans), one of Jesus’ disciples, a guy named Judas, came forward and in exchange for 30 silver coins he betrayed Jezus. Jezus was arrested for claiming to be a king and therefore questioning the Roman occupation. Then the story becomes a bit unclear. The Bible sort of suggests that Pontius P. was reluctant to sentence Jezus because it would cause unrest. He decided to ask the people to choose who should be sentenced: Jesus Barabbas (a murderer) or Jesus Christ (a loud-mouth). The people (read: the Jews) chose Christ. (While checking references I found that, confusingly, the first name of Barabbas was also Jesus).

This part of the story is quite controversial. After Jesus’ death the movement continued to grow and spread to Rome. At first the Christians were persecuted and thrown before lions. Later the Emperor Constantine was converted to Christianity. Until then Christianity was a religion without much of a structure. State support inevitably added bureaucracy and the need to agree on the stories. The result of this was the Bible. The Bible was not meant as an accurate telling of history, but as a political document that suited the rulers of the time. There were no women present (other than some prostitutes, probably) so they were conveniently reduced to a place were they couldn’t share in power (the kitchen). The Romans also had to decide who killed Jesus: the Romans or… somebody else? Spoiler alert: the Romans didn’t blame themselves. Blaming the death of Jesus on the Jews resulted in rampant anti-semitism in the last centuries and is still visible today.

In any case, Jesus was convicted and sentenced to death. Because European pharma companies were opposed to using their medicines for execution, it was done by crucifixion (which is actually a terrible way to die). They were also out of trucks or donkeys or whatever and Jesus had to carry his own cross through the streets to the place of execution. There he was nailed to it and died while singing always look on the bright side of life. After Jesus died he was buried in some cave. It is a bit weird to call this burying because that would imply he is underneath something (presumable some sand), but this is not the weirdest part of this story. A few days later some people went to the cave, opened it… and it turned out to be empty! First question: why would they go to the cave? Second question: why would they open it? Third question: where did Jesus go? Did they enter the right cave into their GPS? Did somebody pull a prank? No, Jesus must have resurrected. And with that Christianity was born.

The interesting thing is that everybody thinks Christmas is the most important Christian holiday, but it isn’t. Without the resurrection-bit Jesus would be just another Messiah who died prematurely. Christmas is a prequel added later on. Like the Star Wars prequels it has a lousy story and bad special effects. The importance of the crucifixion lives on in the cross that Christians wear. It makes you wonder, if Jesus had been poisoned, would everybody wear an Erlenmeyer?

How is this “celebrated” nowadays? The Table below gives some names for the various days (see also this blog post). In churches Easter is part of Holy Week. Palm Sunday (the week before Easter) is the day Jesus walked into Jeruzalem. People apparently waved with palm leaves, possibly for religious reasons, possibly just because it was hot. On Wednesday Jesus was betrayed by Judas. On Thursday he had his last supper (although he didn’t know that yet). Wikipedia doesn’t say when Jesus was arrested, but on Friday he is tried and executed. That is some quick justice. The day is called Good Friday, but the reason for that is not entirely clear to me. In some places this is commemorated by carrying crosses through the streets. In the Netherlands there are performances of the John/Matthew Passion by Bach. I thought Good Friday was a standard day off, but that turns out not to be the case, as I found out halfway the day. On Black Saturday all the shops have massive discounts (or am I confusing it with something else?). It is also the day Jesus was buried in a cave. On Easter Sunday Jesus resurrected. In the Netherlands (and in some other European countries) we have Second Easter day. This is to recover from eating too many Easter eggs and to do some furniture shopping. This is always a day off.

Of course, this all could be bullshit. In the same way that Christmas is really the old pagan festival to celebrate the shortest day of the year (off by a few days because the Christians were too busy persecuting astronomers), Easter is really the pagan celebration that winter is over.

There are no references to Easter eggs in the Bible. The eggs are the result of Lent. Lent is a fasting period that starts 40 days before Easter (which is preceded by Carnival (also not in the Bible)). People are not allowed to eat eggs during Lent, but chickens still lay eggs. At the end of Lent there is a massive amount of eggs that have to be eaten.

The Easter bunny, which may be a rabbit or a hare, was said to bring the eggs to children, but only if they behaved good. People also thought that rabbits/hares could reproduce without losing their virginity (which makes you wonder where the saying “they breed like rabbits” comes from), which makes an association to the Virgin Mary (the virgin part, not the breeding part).

There are two more holidays associated with Easter. The first is Ascension day, forty days after Easter. The disciples find zombie-Jezus who promptly decides to leave them again and go to heaven. Ascension day is always a Thursday and always a free day. Many people take the Friday off as well. Ten days later on Pentecost (or Whitsun) the Holy Spirit descends back to earth. This is always on a Sunday. To recover from this shocking event the Monday is a day off as well.