…dat je je afvraagt waarom je doet wat je doet.
Een aantal weken geleden gaf een theoretisch/computational chemicus een seminar die bij een snaar raakte. Waarom ben ik eigenlijk scheikunde gaan studeren? Op de middelbare school was er een leraar die begon te vertellen over orbitals rond atomen. Je hebt de s-orbital, die een schil vormt rond de kern, de p-orbital, die een soort oneindig-teken vorm heeft. Wat de orbitals zeggen is de waarschijnlijkheid dat je een elektron daarbinnen aantreft. Het punt van de p-orbitals is dat er eigenlijk geen kans is dat ze van de ene lob naar de andere lob gaan. Toch is er evenveel kans dat je het elektron in een van beide lobs aantreft. Dat was het middelbare school verhaal. Ik vond het fascinerend. Ik snap nog steeds niet hoe het werkt, maar de wiskunde is onvermijdelijk. Het seminar ging niet zozeer over orbitalen, maar de mogelijkheid dat je theoretisch kan voorspellen wat er in moleculen plaats vindt, vind ik nog steeds geweldig. En precies die snaar werd geraakt tijdens dit seminar.
De meneer had trouwens nog wat opmerkelijks: een statement over de oersoep. De evolutie begon met dieren in zee. Dat is waar het leven begon, dat is waar de eerste aminozuren werden gevormd. Nu schijnt het zo te zijn dat alle UV-spectroscopie plaatsvind in hetzelfde gebied waar ook water spectroscopie plaatsvindt. Zijn statement was dat die twee met elkaar in verband staan. Water laat namelijk niet alle golflengten even goed door – dat is wat je meet. UV-straling is redelijk gevaarlijk voor biologie. Het had dus een evolutionair voordeel om als aminozuur in een spectrale regio te zitten waar het water geen UV-straling doorlaat. Het is de eerste keer dat ik een theoretisch chemicus hoor kletsen over de evolutie.
Tijdens het seminar zat ik me af te vragen of ik goed gekozen had. Is theoretische chemie toch niet meer waar mijn liefde ligt? Al dat gepruts in zo’n lab, waar is dat goed voor? Maar ja, het verhaal dat zo’n prof verteld is natuurlijk heel wat anders dan wat de promovendi daadwerkelijk doen. Ik kan me goed voorstellen dat elke twee sheets vier jaar werk voor een individuele promovendus was. Dat is met mijn werk niet anders, maar ik denk dat gecombineerde werk in het lab en achter de computer voor mijzelf bevredigender is.
Er zijn ook van die momenten dat je het liefst uit het raam wil springen, iets of iemand een trap wil geven of iets door de kamer wil gooien. Vrees niet: ik beheers mezelf redelijk, maar er zijn van die momenten. Maandag kwam de prof binnen en hij begon over de onderwijstaken van volgend semester. Er zijn drie soorten taken: de eerste is het physisch-chemisch practicum. Het is een beetje saai, maar in ieder geval je vakgebied en het kost je weinig tijd. De tweede is het geven van werkcolleges. Het kost veel tijd maar de studenten leren er veel van en jijzelf wellicht nog meer. De derde is het organisch-chemie practicum. Het kost je vreselijk veel tijd, het is voor je vakgebied niet interessant en de studenten vinden het ook niet leuk. Een vierde optie is dat je geen onderwijs hoeft te geven.
In de laatste twee semesters had ik het physisch-chemisch practicum en geen onderwijstaak dus ik zag de bui al hangen. Prof: “Robbert, je hebt toch scheikunde gestudeerd?”. Ik: “Theoretisch ja”. Prof: “Maar je hebt toch een practicum organische chemie gedaan?”. Ik: “Ja”. Prof: “Da’s pech voor je!”
Ik had me er wellicht uit kunnen lullen. Ik heb misschien vier weken organisch practicum gedaan, plus het introductie practicum. Daarna ben ik achter de computer gekropen of heb ik onderzoek gedaan met samples van hooguit een halve milliliter waar de ingewikkeldste praktische stap was het zoeken van de juiste pipet. Maar goed, ik zou wel wat betere argumenten moeten gebruiken (die ik misschien ook wel zou hebben) en het zou me veel tijd kosten om de prof te overtuigen. Het einde van het liedje zou zijn dat het practicum dan naar een collega gaat. Het physisch-chemische instituut moet een X aantal assistenten leveren, dus als ik het niet ben dan is iemand anders de lul.
Mijn kamergenoot moest het practicum vorig jaar geven en kreeg een klachtenbrief dat hij te streng was. Hij ging naar de studenten en vertelde dat als ze altijd zo foutloos Duits zouden spellen, dat hun verslagen dan ook beter te lezen zou zijn. Een anorganicus had die roddel gehoord en zat zich af te vragen wie er in ons instituut zo evil zou kunnen zijn dat de studenten zo’n klachtenbrief zouden schrijven. Ze kon zich niemand voorstellen. Die persoon zat naast haar net een nieuw glaasje wijn in te schenken.
Helemaal laat ik het er ook niet bij zitten. Ik heb wat met die evaluatiecommissie van doen en ik ga het zeker aan de orde stellen. Het is toch een gotspe dat een theoreticus studenten organische vaardigheden aan moeten gaan zitten leren. Ik heb potverdorie niet twee jaar studievertraging opgelopen met studentenvertegenwoordiging om er hier een potje van te maken.
Zo, dat moest ik even van me afschrijven. Ik hoop dat ik nu wel kan gaan slapen.