Afgelopen zondag schreef ik over de problemen met het uitlijnen van de setup. De afgelopen drie dagen zijn we stug verder gegaan. Uitlijnen kan je op twee manieren doen.
De eerste is door vastgestelde posities te nemen en daar de laserstraal langs te laten lopen. Met een zogenoemde iris, een geval met in grote verstelbaar gat waardoor de straal gaat, kan je dat tot op zekere hoogte goed doen. Helaas, en in tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, is de intensiteit van een laser straalstraal niet gelijk over de hele diameter. Het midden is feller dan aan de rand. En door allerlei spiegels en andere instrumenten is het ook geen perfecte rondje maar meer een ovaal. Dat maakt het moeilijk om precies de positie te bepalen, zelfs met een iris.
De tweede manier is met een lichtmeter (die meet de intensiteit). Dat wordt vooral gebruikt om te optimaliseren. Laatst schreef ik bijvoorbeeld over de interferometer (waar we ook al problemen hadden). Op het oog kan je niet bepalen of de posities goed zijn, daar heb je een meter voor nodig. Door aan een spiegel te draaien kan je zorgen dat twee stralen meer overlappen en dat verbeterd de interferentie. Toch hangen er wat nadelen aan het gebruik van zo’n meter. Allereerst moet de sensor precies in de straal worden gezet, wat moeilijker is dan het klinkt. Bovendien zit er een beetje vertraging zit tussen de meting en wat er op het scherm verschijnt. Je bent dus al voorbij de ideale positie als de meter nog eens piekt. Tot slot, als de meter uitslaat, dan slaat ie eerst te ver uit. Je moet dus continu een beetje veranderen, even kijken hoe het uitpakt, dan nog een beetje veranderen. Het gaat dus minder soepel dan je zou denken.
Bij ons was het probleem ook nog dat de opstelling zou beroerd was dat we microwatts maten. Eerdere metingen gaven aan dat we toch zeker 40 milliwatt zouden kunnen krijgen (meer dan 1000x zoveel dus). De sensors zijn zo gebouwd dat in principe alleen het laserlicht wordt gemeten. In tegenstelling tot wat mensen denken zijn laserlabs nooit helemaal donker, er staat altijd wel een computer aan. Maar het is onontkoombaar dat er altijd wel een paar microwatt op de sensor valt. De sensors zijn zelfs zo gevoelig dat als je je hand in de buurt houdt de sensor warmer wordt en ook een hoger signaal geeft. Het komt er dus op neer dat je in het donker naar een lichtpuntje zit te staren terwijl je de meter in de gaten houdt die eigenlijk een eigen leven leidt. Uitermate vermoeiend.
Na vier dagen prutsen met de opstelling hadden we gisteren eindelijk een doorbraak: na een spiegel vervangen te hebben en nog een hoop gepruts zaten we eindelijk op 10 milliwatt. Nog steeds niet genoeg, maar we zitten er in ieder geval geen ordes van grote meer naast. Inmiddels was het zes uur ’s avonds en we waren hongerig en moe dus we hebben het gelaten voor wat het was. Ik heb net de laser weer aangezet… dag vijf van het uitlijnen.
Uitlijnen
Leave a reply